Dit is (een deel van) het proloog van het belangrijkste boek van verhalen over mijn fantasy-wereld, Artnonom.
Dood der Grote Koningen en Koninginnen
Lancelot zuchtte, deed zijn zwaardgordel af en legde deze op de vergulde stoel in de hoek van de Koninklijke vertrekken; zijn vertrekken. Lancelot zuchtte nog een keer terwijl hij hoofdschuddend naar al dat goud en verguldsel keek. Een Koning werd geacht in zulke luxe te leven, volgens de standaard van die hebberige zakken die tegenwoordig zijn Ridders van de Ronde Tafel waren. Bij Yrgon, wat miste hij zijn broer en zelfs Judas. Maar goed, die tijden waren voorbij en je moest niet stil blijven staan bij het verleden; wat gebeurd is, is gebeurd. Toch had hij graag gewild dat ze nog leefden; dat hij nog één keer met hen door de Gouden Velden kon trekken, zonder dat hij een heel gevolg van bedienden en hielenlikkers achter zich aan had huppelen. “Wensen zijn voor gewone mensen”, zoals zijn Ridders zo vaak aanhaalden als hij weer eens begon over wat hij graag zou willen zien gebeuren.
Lancelot zuchtte en gespte de leren riempjes van zijn gouden borstkuras los; hij werd echt te oude om nog in wapenrusting rond te springen, maar ook dat hoorde zo volgens de Ronde Tafel. “Breek de traditie, breek hun harten”, zo ging het spreekwoord immers, en het dragen van een gouden wapenrusting behoorde – helaas – tot de traditie. Toch voelde hij zich belachelijk als hij op zijn leeftijd in wapenrusting rondbanjerde; welke andere man van honderdvier deed dat nog? Hij wuifde John, zijn bediende, weg toen hij hem wilde helpen met het kuras en zei tegen de man dat hij naar bed moest gaan; het was immers al laat. Van plan zijn eigen bevel op te volgen trok Lancelot zijn hemd uit en wilde net zijn laarzen uitschoppen toen er op de deur klopte. Welke deur heeft in naam van het Vuur massief gouden balken? dacht de Koning afwezig toen hij tegen de persoon riep binnen te komen.
‘Excuseer me dat ik nog zo laat binnenkom, maar ik wilde U nog even spreken over iets belangrijks’, zei zijn zoon Lancelot II toen hij binnenkwam.
‘Kom binnen, jongen, kom binnen. Maak je maar geen zorgen, ik vind het niet erg dat ik nog wat langer wakker moet blijven, hoor, zo oud ben ik nu ook weer niet’, lachte Lancelot op de bedeesdheid van zijn zoon, intussen ook al tachtig jaar oud. Vreemd genoeg leek zijn zoon ouder dan hij was; Lancelot had nog altijd het uiterlijk van een gezonde man in de zestig, terwijl zijn zoon toch al heel hard achteruit ging. Hij had wel ooit iets gehoord over hoe lang mensen leven, maar de Phoenixiaanse Monnik had toen gezegd dat, zolang een persoon puur van hart was – en dus geen kwaad in de zin had – hij heel lang kon blijven leven, en dat die persoon dan ook geen last zou hebben van het ouder worden. Vanbinnen huilend om het feit dat hij zijn zoon waarschijnlijk zou overleven, omdat de ouderdom Lancelot II wel al in zijn greep had, en hem nog niet. Vanbuiten glimlachte hij om het feit dat zijn zoon zich nog steeds gedroeg als een tiener die om raad kwam vragen bij zin vader; de ouderdom had hem dus toch nog niet helemaal in zijn greep.
‘Dat is precies waar ik met U over wilde praten, vader’, zei de jongen op een toon waaruit alle bedeesdheid verdwenen was en die hard was vastberadenheid.
Lancelots glimlach verdween als sneeuw voor de zon. Diep in zijn hart voelde hij al aan waar dit heen zou gaan; diep in zijn hart wist hij waarom de ouderdom vat had gekregen op zijn zoon. Lancelot vloekte in zichzelf omdat hij de jongen te veel vrijheid had gegeven toen hij opgroeide. Hij had hem nooit moeten toestaan zoveel om te gaan met die jongen van Mells. Stront en pis, wat heb ik een hekel aan die familie. Hij kon die familie echter nog zo erg haten – op zich al schandelijk – maar de Ridders waren niet gekozen omdat zijn vrienden waren – of vrienden op de juiste plaats hadden – maar omdat ze de beste Zwaardmeesters van heel het Menselijk Koninkrijk waren. En in dat hele verdomde Koninkrijk waren er, verdomme, geen betere Meesters van het Grootzwaard. Vooral Hendrik I was een ongelooflijk inhalige zak geweest; Lancelot had altijd geweten dat Hendrik verantwoordelijk was voor de verdwijning van zijn broer, maar hij had altijd gedaan alsof zijn neus bloedde om de vrede aan de Tafel te behouden. Die verschrikkelijke Mellsen uit zijn gedachten zettend, zei hij tegen zijn zoon: ‘En wat wilde je dan precies met me bespreken, mijn zoon?’
‘Nou’, vervolgde de jongen, onbewust een verdedigende positie innemend vanwege de koele, zakelijke toon van Lancelots stem, ‘wat ik wil zeggen zal niet gemakkelijk zijn. Bedenk hierbij dat ik slechts het beste voor heb met het Koninkrijk. Ik zou nooit iets doen dat het Koninkrijk schade zou berokkenen, want ik geloof waarlijk dat wat ik op het punt sta te zeggen slechts een verbetering zal zijn.’
‘Zeg wat je zeggen wilt, of ik sla het uit je, jongen,’ gromde Lancelot tegen zijn zoon, het zeer betreurend dat hij zijn zwaardgordel had afgedaan. En onmiddellijk daarna betreuren van de gedachte aan geweld te gebruiken tegen zijn eigen zoon, ook al was het verdedigend.
Beledigd door de toon van zijn vader, trok een schaduw van haat, jaloezie en angst over Lancelot II’s gezicht heen. ‘Zoals U wilt, vader. Ik heb besloten dat U te oud bent om nog langer over het Rijk te regeren. U bent niet langer in staat om helder na te denken, dus zal ik uw plaats als Koning innemen en het Rijk verder leiden, in de hoop dat het niet te erg geschaad is om het nog te kunnen redden.’ Aangemoedigd doordat zijn vader, die zich aan zijn lot had overgegeven, hem niet tegensprak en ook geen aanstalten maakte om zich tegen hem te verdedigen, ging hij verder met zijn waanzinnige toespraak. ‘En omdat de wet voorschrijft dat de Prins zijn vader pas op mag volgen als Koning als de Koning dood is, moet U helaas eerst sterven.’
Lancelot zuchtte en omhelsde het feit dat hij ging sterven met spijt. Hij had zich kunnen verdedigen tegen zijn zoon; het zou een gelijke strijd geweest zijn. Lancelot mocht dan wel ongewapend zijn, maar hij was ook een Meester in ongewapend vechten en hoewel Lancelot een zwaard droeg, en dat net zo goed kon gebruiken als hij dat zelf kon, speelde de ouderdom zijn zoon parten. Het zou een gelijke strijd zijn geweest, mits Lancelot het had kunnen opbrengen om tegen zijn eigen zoon te vechten. Hij gaf zich over de waanzin van zijn zoon en bad tot Yrgon dat hij zijn Koninkrijk niet naar de ondergang zou leiden.
‘Vaarwel, vader,’ fluisterde Lancelot II met kille vastberadenheid. Hij wierp zijn goudkleurige mantel over zijn schouder, zodat hij zijn zwaardarm vrij had, en greep het gevest van de Prinselijke Katana – die hij weldra zou omruilen voor de Koninklijke – vast met zijn broze hand, gevlekt door de ouderdom. Met het kenmerkende geluid van rinkelend staal trok Lancelot II zijn zwaard langzaam uit de schede. Hij hief zijn zwaard en haalde uit naar zijn vader.
Lancelot zag zijn zoon zijn katana trekken en wist dat het nu werkelijk onontkoombaar was. Terwijl Lancelot II zijn zwaard hief dacht Lancelot nog één laatste maal, zijn allerlaatste gedachte, dat hij de jongen echt weg had moeten houden bij de familie Mells.